Hilly van Eerten - artikel deel 2, over het grafische werk van de kunstenares Hilly van Eerten te Amsterdam

 


De dingen, deel 2
 
- over de grafiek van Hilly van Eerten –
 

De vrijheid van het visuele beeld
 
'De dingen' in het grafische werk van Hilly van Eerten doet mij sterk denken aan wat de Russische grote dichter Osip Mandelstamm aan bewegingsvrijheid bepleitte voor ‘het woord’ binnen de poëzie. Hij realiseerde zich dat de dichter slechts poëzie kon voortbrengen door de woorden in hem hun eigen gang te laten gaan. Het vrije woord zag hij als een psyche, dat een eigen en vrij bestaan heeft t.o.v. het ding of het wezen wat het aanwijst. Het woord ‘roos’ zit niet vastgebonden aan de roos die hij aanwijst, want het woord kan ook het meisje een roos noemen, of zelfs een mooie gedachte. Het woord ‘roos’ mag zwerven en is vrij om te stoeien met de andere woorden en de wereld van de dingen. Maar, het woord zingt zich voor Mandelstamm niet geheel vrij van de dingen, want het woord blijft zich het ding herinneren. Het keert er nu en dan naar terug. Er is een soort liefdesband tussen het woord dat zich zijn eigen ontstaan blijft herinneren en het ding zelf. De relatie wordt nooit geheel verbroken. Wat voor het woord geldt, geld ook voor de visuele beelden. Ook de afbeeldingen hebben zich losgemaakt van de dingen die ze afbeelden en daarmee de vrijheid verworven om te zwerven. De vraag is, zwerven ze geheel betekenisloos rond of houden ze nog een band met de dingen van waaruit ze ontstonden? Is er nog sprake van betekenis?
 
We zien in het grafische werk van Hilly van Eerten de onverzettelijke aanwezigheid van de dingen afgebeeld, de straatsteen, de dakpan, het visnet. Zowel in hun kenmerkende ding-zijn staan ze er, maar ook in de structuur waarin ze zich binnen onze wereld voordoen.

Toch geeft het visuele trekken en duwen in haar werk aan de afbeelding van de straatsteen – (zoals bij Mandelstamm het woord 'roos') - zijn bewegingsvrijheid terug. Het beeld van de gebakken steen kan gaan zwerven, het kan poëtisch gaan dansen voor onze ogen en allerlei nieuwe verbindingen en associaties maken. Het beeld kan bijvoorbeeld gaan dansen met de andere beelden in de digitale beeldbewerking, waarmee we elke dag worden overstroomd, of met de beelden van de moderne film waarin hun vrijheid tot op de bodem wordt benut.

Zo gaan in het grafische werk van Hilly van Eerten de beelden allerlei nieuwe ontmoetingen en vermengingen aan. Ze spelen verstoppertje tussen de lagen in haar prenten en spelen een spel van verwijzingen. Het gebeurt allemaal vlak voor onze ogen: waar is voor, waar is achter? Waar is in en waar is uit? Is het nog een steen, of is het een dak waar we van bovenaf op kijken? Is het een wapen geworden, een sikkel? Kunnen we erin of kijken we er tegenaan? Caleidoscopisch lijken haar prenten voor onze ogen te hallucineren, als we bereid zijn er binnen te gaan. We kijken in een schuivende, cirkelende mikrokosmos, in een dicht op elkaar liggende wereld van beelden, gedaantes en vormen. Soms gaat ze daarin heel ver en zoekt ze de grens op van het laatst haalbare.
 
de grens
 
Tot waar blijft het beeld nog iets zeggen? Welke grens bestaat er? Is de samenhang van de prent nog gebaseerd op betekenissen en inhoud, of is er slechts een esthetisch spel ontstaan? De grens waarop het ding nog wel en niet langer meer als een ’herinnering’ aanwezig blijft ligt blijkbaar scherp en is delicaat. Daar lijkt het Hilly van Eerten deels om te gaan in haar werk, maar zij praat hierover in beeldtaal. Zij zwijgt in woorden en laat de dingen slechts in hun afbeeldingen spreken. Waar verdwijnen de dingen volledig uit het visuele beeld en waar blijven ze er nog net in aanwezig?
 
Ze beweegt zich op het scherp van de snede, want ze wil beslist niet volledig onverstaanbaar worden. Hierin wordt ze geholpen door het stevige en onverzettelijke karakter van de dingen zelf, die ze heeft gekozen. Het zijn bij haar immers de dingen die zich al zo lang in het menselijke geheugen en ervaren hebben ingeslepen, van Babylon tot in modern Tai Peh. Zij zijn voor Hilly van Eerten de ankers, waarmee de anarchistische bewegingen van het visuele zwerven enigszins worden ingeperkt. We blijven in haar werk de dakpan voelen in het beeld ervan. De structuur van het plaveisel en de kinderkopjes zijn tastbaar met onze ogen; ook de visnetten met hun rafelige touw. We ervaren tijdens het kijken hun gemaakt zijn.
 
De structuren die Hilly van Eerten in haar werk heel bewust gebruikt en varieert, blijven voelbaar verbonden met het steen-zijn, met het visnet-zijn. Dat is de waarachtigheid van haar werk; een soort van keurmerk wat door het gehele oeuvre te ontdekken valt. Ze blijft, ondanks het vergaand en onophoudelijk abstraheren, afstrippen en uitbenen van haar beelden toch bezig met afbeelden. Ze blijft herinneren aan de dingen waaruit het beeld is ontstaan. Daarin bestaat nauwelijks ruimte tot fantasie in haar werk, want we staan al kijkende met onze benen op solide grond. Ik vermoed dat Hilly van Eerten bezig is een moderne mythologie van de dingen te ontwerpen. Een poging om de basale dingen die direct met de aarde en het menselijke verleden verbonden zijn over te dragen naar de wereld van moderne visuele taal. Ze wil visuele talen en vormen voor de dingen scheppen die mee kunnen doen in de wereld van nu. Moeiteloos concurreert ze met digitale bewerking, maar ze doet het – vooralsnog – fysiek: schuiven, plakken en knippen, grein en rasters variëren, afdempen, oprekken, hooglichten aanbrengen, terugduwen van het beeld. Het zijn de oude methodes die vanaf Seeghers in de prentkunst ontwikkeld zijn en uitgediept. Niet voor niets valt zijn naam. Ook bij Seeghers waren het de eenvoudige gegevenheden van het dagelijkse leven die moeiteloos binnen stroomden in zijn werk, waardoor ze zijn wilde experimenteerlust binnen de hekken hielden. Wat is het, dat het juist de dagelijkse dingen zijn – het tuinhek bij Raveel, de vaas bij de kubisten – die de kunstenaar uitdagen om hun solide bestaan te vervormen en aan te tasten? Wellicht omdat juist de vertrouwde dagelijkse dingen de bewegingsvrijheid van het ‘visuele beeld’ zo duidelijk kunnen laten zien: de vaas, de gitaar, de paarden van een Franz Marc.
 
We kunnen de grafiek van Hilly van Eerten zien als een herscheppen van de gemaakte dingen in visuele beelden, in beeldfantasie. De fysieke omzetting die de klei tot baksteen maakt of het ijzererts tot een putdeksel wordt door haar op het papier herhaald. Het visuele beeld ontsnapt echter meteen uit de schoorsteenpijp. Op papier keert het beeld terug als een vogel, die zijn oorsprong groet.
 
Fons Heijnsbroek